Zelfstandige beroepsuitoefening betreft, kort gezegd, de situatie waarin iemand op basis van zijn eigen zelfstandige beoordeling de inhoud en wijze van uitvoering van de werkzaamheden bepaalt. Denk aan het beroep van romanschrijver, topsporter, personal coach of prostituee. De eventuele (in het geval van een arbeidsovereenkomst)  leidinggevende van zo’n zelfstandige beroepsbeoefenaar mist een “instructiebevoegdheid”. Zo’n eventuele leidinggevende heeft (in praktische zin maar soms ook formeel) “niets te zeggen” over de inhoud van het werk dat de zelfstandige beroepsbeoefenaar uitvoert. Zo geldt het ook voor artsen: Uit het in de Wgbo en wet BIG geregelde verkeer tussen arts en patiënt blijkt dat de RvB van het ziekenhuis geen instructiebevoegdheid heeft jegens de artsen die er werkzaam zijn. Logisch: We vinden allemaal dat patiënt en arts ongestoord afspraken over de behandeling met elkaar moeten kunnen maken.

Deze bevoegdheid van de “werkgever” tot het geven van aanwijzingen over de inhoudelijke uitvoering van het werk is op grond van vaste jurisprudentie één van de cruciale criteria voor het vaststellen van een fictieve dienstbetrekking indien een arbeidsovereenkomst ontbreekt. Is er geen arbeidsovereenkomst en ontbreekt instructiebevoegdheid, dan is de betrokkene voor de fiscus een zelfstandig beroepsbeoefenaar in de zin van (bijvoorbeeld) art 3.5 Wet Inkomstenbelasting 2001 en art 2e lid 2a Uitvoeringsbesluit Loonbelasting 1965.

Posted in: Over fiscaal ondernemerschap